Het Marineterrein van Menno Pot

31 juli 2020

Marineterrein Amsterdam is in 2020 vijf jaar publiek toegankelijk. Journalist en buurtbewoner Menno Pot (1975) zag pal tegenover zijn huis de poorten opengaan, een nieuw stuk Amsterdam ontstaan en het terrein veranderen. Een gesprek over yuppen, experimenten, drukte en toekomstplannen. ‘Volbouwen zou een tragische denkfout zijn.’

In de vroege zomerzon op het terras van Pension Homeland komt eerst de popjournalist Menno Pot aan het woord. Over albumrecensies, moderne hiphop en een generatie rocklegendes die op omvallen staat. Daarna spreekt de voetbalschrijver Menno Pot. Natuurlijk over Ajax, het nieuwe thuisshirt en de nieuwe aanwinst Kudus (‘Ik had nog nooit van hem gehoord en dat is meestal een goed teken’). Ten slotte spreekt Menno Pot, de buurtbewoner van Kattenburg.

‘Het Marineterrein is voor mij een soort derde tuin. Mijn eigen tuintje loopt over in een gemeenschappelijke daktuin, een stuk groen midden tussen de bebouwing. Het Marineterrein is daar weer een verlengstuk van, mijn eigen groene drietrapsraket.’ 

Kan je je de eerste keer op het Marineterrein nog herinneren?
‘Zeker! Dat was heel bijzonder omdat het terrein toen nog afgesloten was. We kregen een rondleiding en toen zag ik voor het eerst hoe mooi het hier is. Een soort lusthof. Toen ik hier in 2008 kwam wonen was het terrein nog niet toegankelijk en werd Het Scheepvaartmuseum een tijd lang grondig gerenoveerd. Deze kant van de Kattenburgerstraat was een soort Berlijnse muur waar je niet achter kon komen. Ik was dus heel enthousiast toen ik hoorde dat het Marineterrein open zou gaan. 

Nu kom ik er praktisch elke dag. Ik loop met een handdoek over m’n schouder naar de Binnenhaven en trek een half uurtje baantjes. Het is een magische plek, helemaal als je je bedenkt waar je zwemt. In grachtenwater op een plek van vierhonderd jaar oud waar je dobberend met je koppie boven water Het Scheepvaartmuseum en het VOC-schip als decor hebt. Dat is me veel waard.’

Menno Pot (1975) is muziekjournalist bij de Volkskrant en schrijver over voetbal in het algemeen en Ajax in het bijzonder (o.a. Het Parool). Hij schreef vijf boeken, waarvan vier over Ajax. Menno woont sinds 2008 op Kattenburg met vriendin Janneke en kinderen Elin en Niek.

Heb je het Marineterrein zien veranderen de afgelopen vijf jaar?
‘Het is vooral drukker geworden. Een paar zomers geleden lag ik hier in het gras met een paar dikke boeken, als vrijwel de enige. Ik herinner me dat de paar vaste bezoekers die er waren elkaar aankeken met een blik van “wat een plek!” Op dat moment wist ik natuurlijk ook wel dat dit niet lang een onontdekt stukje van Amsterdam zou blijven.’

Vind je dat niet jammer?
‘Helemaal niet. We wonen in een wereldstad en daar moet je dingen delen. Het idee dat het Marineterrein van de buurt moet zijn en dat het nu “overgenomen” wordt door buitenstaanders vind ik de grootst mogelijke onzin. Het terrein is van iedereen. Bovendien is het vaak nog heel erg rustig en dan is het nog steeds de onontdekte fata morgana van weleer. Maar ja, als het in het weekend 29 graden is komen er natuurlijk mensen zwemmen. Ik gun iedereen dat van harte, al heb ik zelf geen zin in die drukte. Maar dan blijf ik gewoon weg. Geen probleem. 

Menno bij de Binnenhaven van Marineterrein Amsterdam. ´Plekken als deze maken een stad levend en bruisend´

‘Het is een sentiment dat je vaak hoort. “De yuppen nemen de stad over.” Ik hoor het ook hier in de buurt. Maar juist de mix van yuppen en de oude buurtbewoners maken dit tot een heel leuke buurt met steeds iets meer leuke winkels en hippe koffietentjes in plaats van het groezelige buurtcafé. 25 jaar geleden was Amsterdam een krimpstad en nu wil iedereen hier graag weer wonen omdat het zo leuk is. Dus laten we vooral vieren dat het hier zo leuk is. En dat geldt ook voor het Marineterrein. Laten we blij zijn met zo’n fijne plek waar iedereen van kan genieten. Met de kanttekening dat iedereen z’n zooi opruimt en geen peuken in het gras achterlaat, want die vervuiling stoort me wel mateloos.’

Naast een plek om te ontspannen en af te koelen is het Marineterrein ook een testgebied voor innovatie. Wat vind je van die bestemming?
‘Heel leuk. Ik ken een aantal van de experimenten die hier plaatsvinden en ik vind het prachtig dat dat tegenover mijn huis gebeurt. Het geeft me een beetje een Rotterdams gevoel, een soort open speelruimte waar van alles mogelijk is. De gebouwen zijn een soort blokkendozen, zo lelijk dat ze mooi zijn, waar je mee kunt doen wat je wilt. Experimenteren op een plek als deze is iets wat een stad een echte stad maakt. Ik ben erg gevoelig voor de militaire historie van het terrein, dat vind ik gewoon heel interessant, maar hetzelfde geldt voor moderne, stedelijke innovatie. Die combinatie is wat mij betreft goud. En je mag er nog recreëren ook, wat wil je nog meer?’

Er gaan stemmen op om het Marineterrein vol te bouwen met woningen
‘Dat zou een tragische denkfout zijn. Er is al veel te weinig publieke ruimte in Amsterdam, zelfs in vergelijking met Rotterdam zitten we al heel dicht op elkaar. Laten we de vierkante meters die er zijn intact houden voor de bewoners van de stad. Een echt park hebben we hier niet in de buurt en een zwembad ook niet. Het Marineterrein is allebei en die ruimte hebben we als stad en buurt hard nodig.’

Wat zou je graag in de toekomst op het Marineterrein zien?
‘Dat het blijft zoals het is. Ik hou van het semiofficiële karakter, het ongepolijste. Nu is het nog een samengeraapt zooitje gebouwen waar mensen van alles proberen. Dat ruwe moet vooral blijven, daar is al veel te weinig van in Amsterdam. Het is dure grond en ik snap de reflex om hier woningen te willen bouwen, maar bedenk ook wat onze stad zo leuk maakt: dat er op plekken als het Marineterrein maar ook bijvoorbeeld de NDSM-werf nieuwe dingen ontstaan en geëxperimenteerd wordt. Plekken die er altijd al waren maar waar nu leuke dingen mee worden gedaan. Dat maakt een stad levend en bruisend en daar moeten we vooral heel blij mee zijn. Af en toe wordt dat door z’n eigen succes ingehaald en dat zie je op het Marineterrein op drukke dagen. Maar ach, tot vijf jaar geleden mocht hier überhaupt niemand komen.’ 


Tekst en fotografie: Sjoerd Ponstein